Op een koude ochtend in november 2025, sta ik op de militaire begraafplaats in Lviv in West-Oekraïne. Van een afstandje lijkt het vooral een enorme geel-blauwe vlaggenzee, maar wie dichterbij komt valt iets op. Anders dan op normale begraafplaatsen, hangt aan bijna elk kruis een grote, high definition foto van de overleden soldaat. De personen op de foto’s zijn uiteenlopend. Sommigen kijken breed lachend in de camera, anderen kijken ernstig. Mijn oog valt op foto van een vrolijk kijkende soldaat met een action figure van Sonic the Hedgehog op zijn graf. Dichtbij hem staat een graf met een foto van een knappe vrouw die mysterieus in de lens kijkt. Alleen het militaire uniform verraadt dat deze niet tijdens een fotoshoot is genomen. Ze is 26 jaar geworden. Op deze begraafplaats, waar je letterlijk oog in oog staat met duizenden mensen die in de bloei van hun leven waren, worden statistieken over omgekomen Oekraïense soldaten uitermate pijnlijk zichtbaar. Niet alleen door de indringende blikken van dode generatiegenoten, maar ook vooral door het handjevol mensen die, verspreid over het veld, tussen de graven zijn. Het zijn de nabestaanden van de gevallen soldaten. Ze maken de graven van hun kind, ouder of partner schoon en verversen de bloemen. Een intergenerationeel trauma lijkt onvermijdelijk.
De volgende middag ontmoet ik Olena. Op het afgesproken moment komt een vrolijke meid met paarse tinten in d’r haar aangelopen. Meteen dirigeert ze me een richting op, en een paar minuten later zijn we hijgend een heuvel op aan het lopen. Op de heuvel blijkt een dierenopvang te zijn met uitzicht over de stad. We lopen langs hokken met vossen, dassen, zeearenden een zelfs een apenverblijf. Als ik haar vraag waarom ze deze plek uitkoos, antwoordt ze dat hier de Oekraïense zorgzaamheid goed zichtbaar is: de hele gemeenschap van inwoners verzorgt de opgevangen dieren en doneert geld voor de onderhoudskosten. Terwijl we van de heuvel af komen en door de stad slenteren, vraag ik haar naar hoe haar leven is veranderd sinds de oorlog. Ze vertelt me uitgebreid hoe haar leven de afgelopen jaren totaal op z’n kop is komen te staan. Ik ben totaal verbluft.
Olena woonde ten tijden van de Russische inval met haar ouders in een klein dorpje dichtbij Marioepol. De eerste maanden van de inval hadden ze geen internet, geen stroom en dus geen idee wat er gebeurde aan de frontlinie waar hun dorpje middenin lag. Vluchten was gevaarlijk en als de Russen het gebied al hadden ingenomen, lag de frontlinie tussen hen en Oekraïne in. Pas na drie maanden hoorden ze over de radio dat hun gebied nog in handen was van Oekraïense troepen, en besloten ze te vluchten naar een veiliger heenkomen. Dat veiliger heenkomen werd een soort omgebouwde cruiseboot in Estland. Het leven op de boot had echter niks weg van het luxueuze luizenleventje op een échte cruise. Ze vertelt dat er veel criminaliteit, geweld en prostitutie was, en het leven er bovendien fucking saai was. Na drie maanden was ze er zó klaar mee dat ze haar spullen pakte en in haar eentje de trein terug nam naar Oekraïne met het plan om naar Kyiv te gaan. Toch stapte ze uit in Lviv. Haar reden? Ze vertelt kurkdroog dat ze een houten kont had gekregen van de treinreis, en geen zin meer had in nog 12 uur in de trein te zitten voordat ze in Kyiv was. Op een bankje naast het treinstation belde ze rond naar verhuurders en diezelfde avond nog kan ze terecht in een klein appartementje aan de rand van het centrum. Daar woont ze nu al 1.5 jaar. Geld verdient ze door online Engels bijles te geven, vooral aan Oekraïense zakenmannen.
Niet alleen haar veerkracht, maar ook de onzekerheid en willekeur in haar verhaal grijpen me aan. Wanneer je land onvrijwillig in een verwoestende oorlog wordt gestort en niks meer normaal is, lijkt de toekomst zó open te liggen dat iets banaals als een vervelend zittende stoel in de trein voor Olena bepaalde waar ze zich vestigde. Wat als de stoel wel comfortabel was? Hoe had haar leven er dan uit gezien? Het staat in schril contrast met mijn eigen leven, waar de vraag of ik bij mijn ouders of in mijn studentenkamer het weekend ga spenderen, regelmatig een groot hoofdpijndossier is.
In de dagen erna vallen sommige dingen me op. Zo wordt het straatbeeld sterk gedomineerd door vrouwen. Ik zit geregeld in een drukke bus zonder een mannelijke medereiziger, en het merendeel van de beroepen die het dagelijks leven draaiende houden, worden gedaan door vrouwen. Bekijk dit artikel vooral om meer te lezen over het effect van de oorlog op de werkverhouding, en dit artikel als je meer wil weten over hoe de oorlog nóg meer druk op vrouwen legt. Op één duidelijk moment is die verhouding weer in balans: elke avond die ik in de stad spendeer, komen de jongeren van Lviv massaal bijeen op de statige Svobody Avenue, recht voor het operagebouw. Jonge gasten roken hun eerste sigaretten, drinken biertjes en proberen indruk te maken op de groepjes meiden. Zij dansen op hun beurt er weer op los bij één van de vele straatartiesten en bandjes die op de promenade optreden. Op één moment ontwapent een meid de zanger van zijn microfoon, en zet een Oekraïense ballad in. En dan komen zelfs de schuwere jongens van de bankjes af om luidkeels mee te zingen. Als een jong meisje begint met het maken van springende pioretten, vormen alle jongeren, hand in hand, ook danscirkels. Het is een heel spectacel en bovendien een mooi idee dat er voor al deze jongeren nog ruimte is voor plezier. Tegelijkertijd is het een aangrijpend besef dat dit voor velen ook een uitlaatklep is voor hun zorgen of omdat ze hun vader, zus, partner of iemand anders missen.
Dat dit conflict al zó lang gaande is dat Oekraïners het zich niet kunnen veroorloven om hun leven constant te laten dicteren erdoor, blijkt ook uit het feit dat niemand meer het luchtalarm serieus neemt. Zodra het huilerige geluid door de harde speakers op straat klinkt gebeurt er… niks. Alles went, ook oorlogstijd. Veel van de- door de overheid aangewezen- schuilkelders zijn inmiddels weer dicht of worden bewoond door daklozen. Ook de avondklok, die elke avond om middernacht ingaat, weerhoudt veel mensen er niet van alsnog de straat op te gaan.
Wat wel vrij strikt wordt nageleefd, is de minuut stilte die iedere ochtend het leven in het land voor eventjes pauzeert. De herinnering aan de gevallen soldaten in de oorlog wordt zo elke dag levend gehouden. Het valt me sowieso op dat de dood van soldaten behoorlijk centraal staat in het straatbeeld. Als ik in een park kom, staan er in een berm honderden kleine vlaggetjes met de namen, geboorte- en sterfdag van landgenoten. In hetzelfde park staan ook juist weer grote panelen met indringende foto’s van soldaten die vermist zijn, en misschien wel nooit gevonden gaan worden. Iets verderop in een straat zijn foto’s van omgekomen soldaten op de muur van een gebouw te zien. Als ik de tekstjes vertaal, bleken de jongens op de foto’s allemaal scholier te zijn geweest op de school die in het gebouw zit. Ook op het centrale plein van Lviv wordt dagelijks een paneel vervangen met een grote foto en het levensverhaal van de desbetreffende omgekomen soldaat.
Ik had vooraf gedacht dat de offers die het land elke dag moet brengen in de oorlog, in het dagelijks leven misschien vooral werden genegeerd. Ik blijk er flink naast te zitten. Het wekt de indruk dat, juist omdat een aanzienlijk deel van Oekraïne het leven kan doorzetten, iedereen verplicht is om diegene die dat mogelijk maken persoonlijk te blijven herdenken.
Op een van m’n laatste avonden ga ik wat eten met Ivan, een student van 19 jaar oud. Hij stelt voor om in restaurant in ondergrondse kelders te eten. Om binnen te komen kloppen we eerst op een grote houten deur, roepen we de codewoorden ‘Slava Ukraini!’ tegen de portier, waarna de zware deur openzwaait. Ivan komt uit het oosten van Oekraïne, en leefde dus lange tijd relatief dicht bij de frontlinie. Ook hij is in z’n eentje naar Lviv gekomen, bijna duizend kilometer verderop. Het baart hem zorgen dat zijn familie is gebleven. Dagelijks maken zijn ouders de afweging of ze moeten vluchten, terwijl de frontlinie langzaamaan steeds dichterbij komt. Toch wilde hij maar wat graag studeren in Lviv. Hij wijst me op het feit dat de oorlog februari 2022 begon, precies toen Covid-maatregelen wereldwijd werden opgeheven. De start van de oorlog betekende een nieuwe fase van beperking van sociaal contact, die voor hem dus al ruim 5 jaar duurt. En met hem zijn hele generatie: in de eerste weken van zijn studie merkte hij dat iedereen bijzonder awkward was en worstelde met nieuwe sociale contacten maken. Met deze stap hoopt hij éindelijk zijn sociale leven op te bouwen.
Een andere reden om te gaan studeren, is dat universitaire studenten een (tijdelijke) uitzonderingspositie hebben voor de dienstplicht of mobilisatie en dus niet verplicht het leger in hoeven. Ook Olena vertelde eerder over deze donkere, onderbelichte kant van het leven in Oekraïne. Zij vertelde hoe ze veel jongeren bang zijn om te worden opgeroepen. Als ze hier geen gehoor aan geven, kunnen ze worden meegenomen om in dienst te gaan. Ook komen er steeds vaker verhalen naar buiten dat gemaskerde militairen op klaarlichte dag jongeren in busjes trekken, om te worden gekeurd voor het leger. Dit wordt busification genoemd. Zo ook het vriendje van één van haar Engels-studenten. Een dag nadat hij haar ten huwelijk had gevraagd, werd hij plotseling een busje in gesleurd en meegenomen door de mobilisatiedienst. In zijn paniek kon hij nog zijn vriendin berichten waar hij was. Eenmaal aangekomen op de plek van keuring, klom hij uit het raam van het gebouw en ontsnapte hij ternauwernood, omdat zijn vriendin met een soort vluchtauto verderop stond te wachten. Sindsdien zit hij ondergedoken.
Het is een lastige dichotomie: enerzijds beschermt de overheid en haar dappere militairen uit alle macht de bevolking. Tegelijkertijd vormt de overheid en het leger ook een direct gevaar voor veel van de Oekraïense mannen, zeker als ze niet willen dienen in het leger. Het maakt de situatie voor jongeren nog meer gespannen.
Een laatste les leer ik, als we geleidelijk dronken worden, wanneer ik het relativistische karakter van de antropologie probeer uit te leggen. Omdat we het vaak over de oorlog hebben, gebruik ik dat als voorbeeld: “een bekwame antropoloog zou zowel de Russen als de Oekraïners aan de frontlinie snappen. Dat is het mooie aan antropologie; je blijft de menselijkheid zien van iedereen. Zelfs van de Russen.” Ik zie direct dat Ivan omslaat. Met een trillende stem zegt hij nors dat de menselijkheid in de Russen voor hem is verdwenen: “weet je wat er staat onder nieuwsberichten die schrijven over dat er weer een heel gezin is omgekomen door een droneaanval? Dat ze het verdienden omdat ze Oekraïens zijn. Dat het er meer hadden moeten zijn.” Omdat Ivan ook Russisch spreekt, kan hij alles lezen dat Russische mensen (en waarschijnlijk bots) schrijven op sociale media. Ik besef dat dit niet het moment is voor stichtende woorden over medemenselijkheid.
We drinken onze biertjes op en rekenen af bij het restaurant. Maar niet voordat we in de ondergrondse pop-up schietbaan- voor een paar Hryvnia- met een luchtbuks op het hoofd van Poetin hebben geschoten.
Mijn tijd in Oekraïne zit er op. Ik kan iedereen aanraden om een reis naar het land te ondernemen, wat relatief veilig kan. Niet voor ramptoerisme, maar voor een goed gesprek. Het is een effectief remedie tegen de gevoelloosheid die, na verloop van tijd, onvermijdelijk optreedt bij zo een langlopende oorlog. Dode militairen worden cijfers, en het front een interactieve kaart. Berichten over omgekomen burgers bij droneaanvallen doen steeds minder. Voor mij zijn dat nu mogelijk Olena, Ivan of één van de andere mensen die ik heb ontmoet. Het houdt me hopelijk scherp. Want deze oorlog mag niet vergeten worden, net als alle omgekomen mensen in het land.