De kunst van overleven: Tetteh Quarshie Art Market onder puin.
- Rik van Huizen
- 1 day ago
- 4 min read
Updated: 4 hours ago

Aan een centrale weg midden in Accra, de hoofdstad van Ghana, ligt een gigantische kunstverzameling verborgen. Niet in het depot van een galerie of tentoongesteld op een kunstbeurs, maar onder een enorme berg puin. Als ik over een geïmproviseerd pad loop, knarsen onder m’n voeten kapotte houtsnijwerkjes van dieren, schilderijen, Afrikaanse maskers en nog veel meer. Tussen de bergen van houten balken en golfplaten snuffelen een paar mensen rond, op zoek naar kunstwerken die nog te redden zijn. Dit zijn de restanten van wat tot voor kort een deel van de Tetteh Quarshie Art Market was. David, een lokale kunstenaar van eind twintig, wijst in de richting van een berg puin. “Dit is ongeveer waar mijn winkel zich bevond”, vertelt hij. Hij beschrijft hoe hij een week geleden in de vroege ochtend werd wakker gebeld door een vriend met het nieuws. Die zei hem dat die nacht er gemaskerde mannen in legeroutfits en geweren opgedoken waren bij de markt. Met grote machines hebben ze een tiental stalletjes met de grond gelijkgemaakt. Toen David bij de ravage aankwam, kon hij nog een paar werken redden; de rest was kapot.
Toen ik diezelfde middag door het overgebleven deel van de markt liep, waren een veel verkopers inmiddels begonnen met hun winkeltje te ontruimen. Een groepje dappere winkeleigenaren riep naar me dat ze gewoon zouden blijven, ondanks het dreigende gevaar. Maar een week later hebben zelfs deze strijdbare verkopers hun kraampjes verlaten. De overheid beweert nog onderzoek te doen naar wie deze vernieling heeft aangericht, maar de kunstenaars weten genoeg. Ze zijn wederom een speelbal geworden van machtige, gezichtsloze investeerders.

De Tetteh Quarshie Art Market bestond oorspronkelijk uit een honderdtal kraampjes met kleurrijke kleding, Afrikaanse kunst en souvenirs. Deze kraampjes werden gehuisvest in een smalle, overdekte hal recht naast een knooppunt van snelwegen in Accra. Een verkoper vertelt me trots dat de gemeenschap van de Quarshie Market alles zelf heeft opgebouwd, toen een stuk land werd toegewezen door de overheid. Deze toewijzing volgde op jaren van onzekerheid door gedwongen verplaatsingen door de overheid. Een oudere verkoper vertelt dat de markt door de jaren heen al zes keer een nieuw onderkomen heeft moeten zoeken. Door dit nomadische bestaan werden verkopers en kunstenaars gedwongen innovatief te zijn. Dit resulteerde in de rappe ontwikkeling van een braak stuk grond tot een goed onderhouden kunstmarkt. De Tetteh Quarshie Art Market groeide op deze nieuwe locatie snel uit tot een begrip.
Aan deze opleving kwam dus abrupt een einde. In de nacht van 29 maart legt een groep mannen in legeroutfit met grote machines een deel van de winkeltjes, inclusief alle kunst en eigendommen, in puin. David vertelt dat de eerste winkeleigenaren die arriveerden, te bang waren om de gewapende mannen te benaderen. Bovendien kon niemand de gemaskerde mannen identificeren. Deze gezichtsloosheid staat symbool voor de bureaucratische, hogere macht waar de markt in het verleden zo vaak mee te maken heeft gehad. Tijdens een grote storm, een paar dagen later, sloegen de mannen weer toe, en sloopten ze nog een tiental winkeltjes. David vertelt aangedaan hoe verslagen hij was toen hij aankwam bij zijn voormalig winkeltje. Als ik hem vraag hoe het nu verder, verzucht hij: “let’s hope for the best, there is nothing else we can do”.
De aanwezigheid van het continue geluid van bouwwerkzaamheden en zwaar materieel, verraadt meteen wat volgens iedereen op de markt de aanleiding is voor de verwoesting. Achter de markt is een gigantisch geraamte zichtbaar van wat binnenkort een modern winkelcentrum moet worden. Volgens de aanwezigen zijn grote Chinese investeerders zijn bezig dit stuk ‘niemandsland’ te transformeren in een modern stedelijk gebied, en de markt bevond zich precies op het kostbare stuk land tussen de snelweg en de bouwput. Onder de verkopers die ik spreek is duidelijk frustratie voelbaar over deze externe partijen. Volgens hen zouden andere Ghanezen nooit hun brothers op deze destructieve manier behandelen. Bovendien zijn ze ervan overtuigd dat de winsten direct wegvloeien naar China.

Een dag na de eerste verwoesting heeft de minister van toerisme toegezegd dat hij gaat onderzoeken wie er verantwoordelijk is. Veel kunstverkopers wantrouwen de overheid en zien het onderzoek als een gebaar voor de bühne: sommige beweren bijvoorbeeld dat er overheidsfunctionarissen aanwezig waren bij de sloop. Bovendien beargumenteert Matthew, de voormalig eigenaar van een winkeltje met bronzen beeldjes, dat de lokale autoriteit wel op de hoogte moést zijn geweest als een groep gewapende mannen sloopwerk verricht in een doorgaans veilige stad als Accra.
Ik leer Matthew beter kennen als hij me even later zijn tijdelijk onderkomen laat zien. Aan de andere kant van de weg, honderd meter verderop, heeft hij samen met enkele anderen onder een tentzeil zijn overgebleven collectie tentoongesteld. Hij wijst me op het feit dat veel verkopers leningen zijn aangegaan om hun winkeltje te kunnen financieren. Met de verwoesting van hun winkeltje en eigendommen, is volgens Matthew niet alleen hun enige bron van inkomen weggenomen, maar wordt het ook onmogelijk om leningen terug te betalen of iets nieuws te starten. Volgens hem zitten veel verkopers nu moedeloos thuis, in de hoop iets van compensatie te krijgen voor de schade die hen is aangedaan.
Terug op de markt pak ik een ogenschijnlijk stoffig stuk textiel van de grond. Nadat ik het stof eraf schud, komt er een prachtig blauw doek van dansende figuren onder tevoorschijn. Het doet me beseffen dat deze verwoesting niet alleen economische schade veroorzaakt aan een kwetsbare gemeenschap, maar ook de verwoesting van toekomstperspectieven en ambities betekent. Als ik nogmaals om me heen kijk heeft deze- ooit zo bruisende plek- iets sinisters gekregen, als een begraafplaats van hoop en dromen. Terwijl ik nog een laatste keer door de verlaten hal loop, doet iets dit toch veranderen.

Achter een muurtje hoor ik geluid, en ik kijk opeens recht in het gezicht van een jonge gast met een kwast in zijn hand. Hij vertelt me dat hij op de middelbare school een passie voor schilderen heeft ontwikkeld, maar door geldgebrek niet verder kon studeren. Hier, op de achtermuur van de verlaten hal, blijft hij nieuwe werken schilderen. Net zo lang tot ook deze muur niet meer bestaat. De volledige achtermuur is zelf inmiddels- door de randen van vele honderden werken- een prachtig kunstwerk geworden. Deze muur, samen met het pop-up winkeltje van Matthew, en de hoop van David, illustreert de buitengewone veerkracht en het doorzettingsvermogen van deze gemeenschap. In m'n hoofd hoor ik Tupac zeggen: did you hear about the rose that grew from a crack in the concrete?

Comments